Tag Archives: gedicht

Pasen

Als een bloem
Draai ik mijn hoofd naar de zon
Ogen nog gesloten
Met warmte overgoten

Langzaam maar vol plannen
Wordt de wereld rond me wakker
Eieren zoeken in de tuin
Snel nog langs de bakker

De vrede van het Paasfeest
Hangt in de ochtendlucht te zweven
Waardoor alles liefde lijkt
En je met nieuwe ogen kijkt

Al was het maar voor even

Advertisements

Lente

We bedelven de winter
Met zonneschijn
Van onder de rijm
Komt nieuw leven gekropen

Bloempjes, nog klein
Groeten de zon onzeker
En de eerste hommels trotseren
In hun slaperige vlucht
De nog kille lucht

Mijn hart verjaagt de koude
En zet de ramen wijd open
Hop, hop! Naar buiten!
De zomer tegemoet

Vlinder

Ik zoek een tocht
Voorbij de grenzen van mijn land
Voorbij de grenzen van mijn dromen
Voorbij mijn kunnen want

In een kaartenhuis dat wegzakt
Zette ik mezelf gevangen
Hier loop ik verloren
In mijn eigen verlangen

Mijn eigen stem gedoofd
Mijn eigen vrijheid vermoord
Nu breek ik los, voorbij de grens
Zoals het hoort

Ik wil geen angst meer
Die me uitholt
Geen haat meer
Die mijn bloed stolt

Terug naar wie ik was
Naar hetgeen wat overblijft
Nadat de zon of de regen
De pijn uit mijn lijf slijt

Ik zoek een tocht
Voorbij de grenzen
Van mijn glazen cocon
Gaandeweg een vlinder te worden

Onder de Spaanse zon

(uit Ik heb een weg nodig)

De nabijheid Gods

Ik meende ook de Godheid woonde verre,
In eenen troon, hoog boven maan en strerre,
En heften menigmaal mijn oog,
Met diep verzuchten naar omhoog:
Maar toen gij u beliefden te openbaaren,
Toen zag ik niets van boven nedervaaren;
Maar in den grond van myn gemoed,
Daar wierd het liefelyk en zoet.
Daar kwaamt gy uit der diepten uitwaarts dringen,
En, als een bron, myn dorstig hart bespringen,
Zo dat ik u, o God! bevond,
Te zyn den grond van mynen grond.

– Jan Luyken

Kijk en zie

Kijk en zie…
Hoe de aarde leeft,
En alles wat ze geeft,
Ontgonnen wordt door onze handen
Of iets wat hen vervangt.
En hoe het zand verlangt,
Naar stilte.

Hoe de wolken zich verschuilen,
Hoe de bronnen huilen,
Hoe hun sprankelende kinderen,
Vervuild door onze krachten,
Naar wat zuurstof smachten.

Hoe wij slechts de roem begeren,
En de ziel van onze bodem,
De schepping dirigeren.
En diens vrucht onteren.

Kijk, en zie…
Hoe de liefde van de wereld,
Gebukt gaat
Onder haat.
En hoe wij door geweld,
Niet alleen onszelf,
Maar heel de cirkel van ’t bestaan
Geluidloos doen vergaan.

Hoe de duisternis
Verblind door licht,
Zijn sterren wordt ontnomen,
Onder menselijk toezicht.

Zie hoe wij,
Cultuurbarbaren,
Een rivier van bloed bevaren.
Voel hoe de aarde beeft,
Het water haast gaat koken.
Zie, en voel aan al wat leeft.
Dat geen wat ons het leven geeft.

Kijk, en zie…
Hoe alles wat wij wensen,
Het bloed is van een hart
Dat bezwijkend onder smart,
Zijn laatste slagen klopt.
Hoe onze liefde is gestopt.
Hoe wij niets meer zijn dan mensen.

Zie hoe wij het leven,
Bedanken met de dood.
Hoe wij op ongerepte stranden,
Met overwinningszucht belanden,
En de essentie er verbranden.

Kijk, en zie…
Hoe de aarde leeft,
En alles wat ze geeft,
Ontgonnen wordt door onze handen
Of iets wat hen vervangt.
En hoe het zand verlangt,
Naar stilte.

Gebarsten

Ik sla mijn ogen,
Als de deuren achter mijn rug
Toe.

In de duisternis
Tast ik langs de muren.

Moe,
En vergeten.
Mijn hart wil van niets nog houden.
Mijn mond wil niet eten.

Ik droom van een land
Zonder pijn
Om in te sterven.

Ik vraag me af
hoe het zou zijn…
Overal scherven.
Donkerrood bloed.
En de spiegel
Gebarsten
Vol kaarsvet en roet.